|
Korte geschiedenis van Nederlandse vroedvrouw en baring.
Vroedvrouwen waren jarenlang ongeschoolde vrouwen, zij verkregen de noodzakelijke kennis en ervaring door de praktijk. Naast het begeleiden van bevallingen namen zij ook nevenfuncties aan, zoals het in huis nemen van zwangere vrouwen en het bakeren van zuigelingen. Door het begeleiden van bevallingen kwamen vroedvrouwen bij dag, maar meer nog bij nacht en ontij, in de huizen van alle mogelijke bevolkingsgroepen. Dit waren in veel gevallen donkere, slecht verlichte en geventileerde ruimten, vaak onder onhygiënische omstandigheden. Daarom gaven vroedvrouwen ook adviezen over hygiëne en algemene gezondheid. Tevens had zij als taak bij de geboorte van een buitenechtelijke kind de naam van de vader op te vragen en daarvan verslag doen bij de overheid. Tenslotte moest zij (mede) de opleiding van aspirant-vroedvrouwen verzorgen.
Tijdens de bevalling zat de barende op een baarstoel, of op een matras in de bedstede. Omdat een bedstede aan drie zijden gesloten is, was er weinig ruimte voor omstanders. Als dit een probleem opleverde werd er ook wel eens een aantal stoelen met de rug op de grond gezet om daarop het matras te plaatsen, dit werd een 'kortbed' genoemd. In sommige gevallen ging een barende op de schoot zitten van een vrouw, de 'schootster'.
De plaats van de bevalling werd bepaald door de financiële gesteldheid van de familie. Armen bevielen in gasthuizen, waar het sterftecijfer enorm was door kraamvrouwenkoorts. Dit was tot eind 19e eeuw een zeer gevreesde complicatie, pas na het verbeteren van hygiëne en voorzieningen daalde het sterftecijfer. In hogere kringen was het gebruikelijk om thuis te bevallen en verzorgd te worden. Er kwamen soms zelfs vrouwen in dienst van het gezin (minnen genoemd) om de baby borstvoeding te geven.
Vroedvrouwen hadden twee mogelijkheden voor het uitoefenen van hun vak: vrij gevestigd of door de overheid in loondienst worden aangesteld. Zij werden lid van het chirurgijngilde en waren daardoor - als vrouw - de meest geëmancipeerde beroepsgroep! Het niveau van verloskundigen onderling in Nederland verschilde erg. Zo bezat Groningen in de 17e eeuw al een vroedvrouwenschool, Amsterdam daarentegen opende pas in september 1861 de Rijkskweekschool voor vroedvrouwen. Studenten werden daar in twee jaar op kosten van het Rijk opgeleid, om praktijkervaring op te doen had de school vanaf 1883 de beschikking over een eigen model-kraamkamer waar jaarlijks ruim 100 bevallingen plaatsvonden. Aan het eind van de 19e eeuw verenigden vroedvrouwen zich in wat later de Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV) zou heten, om zich vanaf dat moment gezamenlijk sterk te maken voor hun positie en hun bevoegdheden. Tevens werd de opleiding verlengt en verbeterd. En met succes. De eigen beroepsverantwoordelijkheid en de bevoegdheden van de verloskundige werden steeds verder uitgebreid.
Oude Gebruiken:
Hansje-in-den-kelder
In de 17e eeuw was het in de hogere kringen gebruikelijk om kennis te geven van een zwagerschap, door middel van ‘Hansje-in-den-kelder-‘.
Het ritueel was dat de (schoon-) ouders werden uitgenodigd, en er een Hanzebeker op tafel werd gezet. Terwijl iedereen doodstil zat te wachten, werd er speciale likeur ingeschonken. Als het glas vol was dan kwam er een klein drijvertje naar boven in de vorm van een kindje. Er werd dan geroepen: “Hansje in den kelder”. De likeur werd daarna uit de beker gedronken op een goed verloop van de zwangerschap en bevalling. Tijdens het drinken werd er gezongen: “ Men drinkt, als 't komt te pas, kaneelwijn frisch en helder, geluk aan de echtgenoot met Hansje in den Kelder”.
Omstreeks 1800 raakte dit gebruik in de vergetelheid, toch is de likeur nog tot op de dag van vandaag te verkrijgbaar bij de speciaalzaken.
In het Amsterdams Historisch museum is er nog een Hanzebeker te bewonderen.
Kandeel
Kandeel is een sterke drank voor het kraambezoek. Deze dank bestond uit een mengsel van witte wijn, kruiden, suiker en eidooiers. De kersverse vader droeg een satijnen muts met een pluim (de kraamherenmuts) terwijl hij in de kandeel roerde met een kaneelstok. Daarna deelde hij de kandeel rond in speciale kandeelkommetjes.
Beschuit met muisjes
Al sinds de 17e eeuw werd kraambezoek getrakteerd op beschuit met muisjes. Muisjes stonden namelijk symbool voor vruchtbaarheid. Bij meisjes roze muisjes, bij jongens witte. Later werden de witte muisjes door blauwe vervangen. Het anijs in de muisjes zou de borstvoeding stimuleren en zou de boze geesten bezweren.
Beknopte geschiedenis van de Nederlandse Verloskunde
In de oudste tijden, toen er nog niets bekend was over de anatomie, geprobeerde men een moeilijk verlopende baring te bevorderen door de vrouw te laten veranderen van houding. In oude boeken vind je dan ook beschrijvingen van de geboortestoel en het op schoot nemen van de barende. De grootste verloskundige van de oudheid is Soranus van Ephesus (2e eeuw na Chr.); hij beschreef een manier waarop de ongeboren baby gekeerd zou kunnen worden. De Middeleeuwen worden gekenmerkt door een volkomen verwaarlozing van de verloskunde, toch verrichte Nufer omstreeks 1500 voor het eerst een keizersnede met goed gevolg (voor moeder én kind) bij zijn eigen vrouw. Dertien jaar later verscheen het eerst een vroedvrouwenboek van Eucharius en Roesslin, waarin de inzichten van Soranus werden opgenomen.
Tot 1700 was de praktische verloskunde uitsluitend in handen van vrouwen.
Door Chamberlen werd de eerste verloskundige tang geconstrueerd, een instrument dat na vele verbeteringen in handen kwam van iedere arts (1720). Van Deventer zag in dat er verband lag tussen een bekkenvorm met de grootte van een kinderhoofd en beschreef verschillende afwijkingen van het bekken. Ondanks dit alles bleef de sterfte van moeder en kind in de 19e eeuw vrij hoog, totdat Semmelweis in 1847 zijn ontdekking deed. Hij ontdekte dat het belangrijk was je handen te wassen voor en na een bevalling om daarmee het overdragen van bacteriën te voorkomen. Daarnaast werd in 1848 de narcose ingevoerd. Met de ontwikkeling van anatomie en fysiologie kreeg men een steeds beter beeld van het baringsproces en de factoren die voor het normaal verlopen ervan belangrijk waren. Ook de operatieve verloskunde nam in de 20ste eeuw een hoge vlucht, daardoor werd de keizersnede een ingreep met zeer lage sterfte. Ook werd toen het belang gezien van prenatale zorg, omdat verschillende afwijkingen tijdens de baring kunnen worden voorkomen door behandeling in de zwangerschap.
Delen vrij vertaald uit de Winkler Prins
Bakerpraatjes
Dit zijn bijgelovige beweringen over conceptie, zwangerschap en bevalling. (niet waar dus!)
Zo dacht men het volgende:
- Als je een baby onder de voetjes kietelt, zal het later gaan stotteren.
- De plek die de moeder tijdens het eten aanraakt zou de plaats zijn waar de baby later een moedervlek krijgt.
- Voor iedere keer dat een vrouw niet haar zin krijgt in de zwangerschap krijgt het kind een moedervlek.
- Bij het drinken van veel koffie krijgt men een kindje met rode haren.
- Surinaamse bakerpraatjes: Mannen moeten alles voor hun zwangere vrouw halen of maken waar zij trek in heeft. Doet hij dat niet dan krijgt de baby een wijnvlek.
- Het kijken naar lelijke dingen veroorzaakt een lelijk kindje.
- In Turkije is het eten van perziken tijdens de zwangerschap streng verboden, omdat dit een harig kind zou veroorzaken. Dit zou komen door het donzige schilletje van de perzik.
- Als je een belofte niet houd aan een zwangere vrouw dan krijg je ontstoken ogen, zegt men op de Nederlandse Antillen.
Verruit de meeste bakerpraatjes gaan over het voorspellen van het geslacht:
Meisje |
Jongen |
Je hoofd wordt dikker |
Je hoofd veranderd niet |
Je eet geen kapjes van het brood |
je eet niets liever dan het kapje van een brood |
Je snakt s´morgens naar een glas sinaasappelsap |
Je hebt geen speciale trek in sinaasappelsap |
Je draagt de baby hoog |
Je draagt de baby laag |
Je voelt de baby m.n. rechts trappen |
Je voelt de baby mn links trappen |
Je bent erg moe |
Je bent niet extreem moe |
Je slaapt het liefst op je rechterzij |
Je slaapt het liefst op je linkerzij |
Je hebt warme voeten |
Je hebt koude voeten |
Je nieuwe haar groeit over je hele nek |
Je nieuwe haar in je nek heeft de vorm van een V |
Je hebt zachte handen |
Je hebt ruwe handen |
Je hebt een lage weerstand |
Je bent erg sterk en energiek |
Je ademt normaal |
Je bent kortademig |
De toekomstige vader is ontspannen |
De toekomstige vader is onrustig |
Het gewicht van de toekomstige vader is stabiel |
De toekomstige vader komt aan |
Je hebt een ochtend humeur |
Je bent de hele dag vrolijk |
Je krijgt dikke billen en houd dunne benen |
Je houd dunne billen maar krijgt dikke benen |
Je hebt een ronde buik |
Je hebt een puntige buik |
Je houd plots van zoete dingen |
Je houd plots van zoute dingen |
Je besteed nu weinig tijd aan koken |
Je besteed veel tijd aan koken |
Baby beweegt als je naar muziek luistert |
Baby ligt stil als je naar muziek luistert |
Er zijn nog veel meer bakerpraatjes te vinden op www.babybrabbel.org
Enkele ouderwetse woorden:
(waarvan een deel -zelfs vandaag de dag- nog worden gebruikt)
Baker: Vrouw die zorgt voor het bakeren (strak inzwachtelen) van een zuigeling. Daardoor krijgt het kind minder prikkels van buiten en wordt het kind rustig.
Bakerlied. Wiegelied, gezongen door de baker.
Bakermat, Bakerkorf. Een langwerpige, lage mand, ook wel een houten bak, die voor het vuur staat, tot zitplaats diende voor een baker, wanneer deze het op haar schoot liggende kind verzorgde.
Deurzichten. Gebruik waarbij buurtgenoten op de kraamvisite komen en dan linnenkast en luiermand opent om naar de uitzet te kijken om daar commentaar op te leveren.
Kraamkloppertje. Een geborduurd werk (zie foto) werd aan de deur gehangen om kennis te geven aan de geboorte van een kindje. Als er een papier in werd gestopt was er een een meisje geboren, zonder papier een jongen.

Kandeel / Karndeel. Warme wijn, gekruid met kaneel en kruidnagelen. Er werd na de geboorte ook wel jenever of brandewijn met suiker geschonken.
Kraamschudden. Noord-Nederlandse term voor het tonen van de zuigeling aan vrouwelijke buurtgenoten, enkele dagen na de geboorte. In Brabant heet het "met den krommen arm gaan" en in Limburg "met den eierschaal gaan", uitdrukkingen die slaan op het meebrengen van geschenken.
Pillegift. Een uitgestelde gift, door peetvader of peetmoeder beloofd bij de doop, en pas geschonken als (na een flink aantal maanden of een jaar) bleek dat het kind nog in leven was. Bijvoorbeeld een gouden ketting of hangertje, of familieportretten.
Vuurmand. Mand in de kraamkamer waarin zich een vuur bevindt en waarboven het linnen, de kleding, de luiers gedroogd worden en waarvóór het kind wordt gebakerd.
Wieg. Mand- of bakvormig bedje, ledikantje voor zuigelingen, veelal inz. vroeger tijden, met gebogen onderstel of (aanvankelijk) in hangconstructie waardoor het in een schommelende beweging kan worden gebracht (soms voorzien van kap en gordijntjes).
Met dank aan:
Verloskunde Academie Amsterdam, NVOG, Teunis van Heteren
(http://www.wijkkranten.dordt.nl), www.babybrabbel.org
|